Dodelijk geweld na godslasteringsbeschuldigingen in Pakistan laat een verontrustende tegenstelling zien: terwijl de wet voor bepaalde feiten de doodstraf toestaat, zijn veel beschuldigden buiten het gerechtelijke proces om gedood.
De Pakistaanse wet staat de doodstraf toe voor bepaalde vormen van godslastering.
Toch heeft Pakistan tot op heden niemand specifiek vanwege een veroordeling voor godslastering gerechtelijk geëxecuteerd.
Op het eerste gezicht klinkt dat misschien geruststellend.
De historische werkelijkheid is echter aanzienlijk grimmiger.
Tientallen mensen die in verband werden gebracht met beschuldigingen van godslastering zijn buiten het formele gerechtelijke executieproces om gedood.
Een parallelle doodstraf
Denk bijvoorbeeld aan de volgende slachtoffers:
Shama en Shahzad Masih — gelyncht en verbrand.
Mashal Khan — mishandeld en doodgeschoten.
Priyantha Kumara — gelyncht, waarna zijn lichaam werd verbrand.
Tahir Ahmad Naseem — in een rechtszaal doodgeschoten.
Samuel Masih — aangevallen terwijl hij onder politiebescherming stond.
Waris — uit politiehechtenis gesleurd en gedood.
Nazir Masih — dodelijk aangevallen door een menigte.
Dit waren geen executies die plaatsvonden nadat een volledige gerechtelijke procedure en toetsing waren afgerond.
Het waren buitengerechtelijke dodelijke aanvallen.
Ongeveer 90 lynchpartijen
Reuters meldde in augustus 2026 dat Pakistan sinds 1990 te maken heeft gehad met ongeveer 90 lynchpartijen die verband hielden met beschuldigingen van godslastering.
Dat cijfer plaatst de constatering dat Pakistan nooit iemand na een veroordeling wegens godslastering gerechtelijk heeft geëxecuteerd in een heel ander perspectief.
Het uitblijven van officiële executies betekent niet dat er geen mensen zijn gedood.
Wie is verantwoordelijk voor bescherming?
De staat kan niet het gedrag van iedere burger volledig beheersen.
Maar zodra iemand wordt gearresteerd, draagt de staat een bijzonder grote verantwoordelijkheid voor de veiligheid van die persoon.
Sterfgevallen die plaatsvinden:
- in politiehechtenis;
- tijdens vervoer of begeleiding door de politie;
- of in gerechtsgebouwen,
roepen daarom ernstige vragen op over de mate waarin overheidsinstellingen in staat zijn verdachten daadwerkelijk te beschermen.
Een belangrijke verandering in 2026
Er is echter ook een belangrijke recente ontwikkeling.
Reuters meldde in augustus 2026 dat het aantal geregistreerde godslasteringszaken sterk was gedaald — met ongeveer twee derde ten opzichte van vergelijkbare recente perioden — te midden van een grootschalig optreden van de Pakistaanse autoriteiten tegen radicale islamistische organisaties.
Ook het aantal gemelde aanvallen door menigten nam aanzienlijk af.
Deze ontwikkeling verdient erkenning.
Ze laat zien dat krachtiger optreden van de overheid daadwerkelijk verschil kan maken.
Maar tientallen jaren van geweld en de gevolgen daarvan verdwijnen niet van de ene op de andere dag. Leden van minderheidsgemeenschappen die door Reuters werden geïnterviewd, beschreven bovendien dat de angst nog altijd voortleeft.
Conclusie
De ervaring van Pakistan laat zien dat er in de praktijk twee vormen van doodstraf kunnen bestaan.
De ene wordt opgelegd door een rechtbank.
De andere wordt opgelegd door een menigte.
Voor die tweede is geen veroordeling nodig.
Geen hoger beroep.
Soms zelfs geen FIR (First Information Report) — de officiële registratie waarmee in Pakistan doorgaans een strafrechtelijk politieonderzoek begint.
Het voorkomen van deze onofficiële doodstraf behoort wellicht tot de meest urgente hervormingen van allemaal.

